Category Archives: Winter&Zomer ’18-’19

Lieve Julie


Lieve Julie,

Ik kende je niet. Jij mij niet. De kans dat we elkaar in dit leven ooit zouden tegenkomen, heel klein. Maar sinds vorige week nihil.
En toch voelt zowat elke vrouw zich momenteel een beetje verbonden met jou. Een beetje Julie.
Nu nog met schrik en angst. Hopelijk binnenkort toch iets meer met je levensvreugde en positiviteit!
Schrik en angst, ik mag er niet aan denken aan je laatste levensminuten. Ik hoop dat het ‘maar’ minuten waren. Maar elke seconde in die vreselijke oneerlijke strijd is er een teveel.
Als vrouw, worden we ergens wel altijd opgevoed met een bepaalde alertheid voor ‘creeps’. Geleerd om snel door te wandelen. De opa die ons verteld waar we moeten ‘sjotten’ als iemand te dichtbij komt. Geen oogcontact te maken. En vooral, zo snel mogelijk uit de voeten komen van smalle steegjes en donkerte. Zeker alleen.
Maar Julie, het was klaarlichte dag. K.L.A.A.R.L.I.C.H.T. En tegelijk doet dat er niet toe. Alsof duisternis en alleen op straat komen als vrouw, überhaupt, wanneer dan ook, een argument is om in je zijn volledig aangetast te worden. Tot je in jouw geval, hier helemaal niet meer bent.

Ik moet eerlijk zijn Julie, volgens mij denken we allemaal een beetje te weten wat we zouden doen in dergelijke situatie. Maar eigenlijk, weten we helemaal niets. De enige controle die er in dat verhaal is, is deze van de creep. Hij weet precies wat hij zal doen. Wanneer. Hoe. Terwijl jij goedlachs aan het fietsen bent, rondkijkt, denkt aan het eten dat eraan komt en het gezellig samen zijn.
De enige controle die er is. Is er van machtsmisbruik. De weinige controle die er is, is er veel te veel.

Ik zou weglopen, zei ik altijd. Mij halen ze toch niet in. Of zoals m’n opa zei, eerst sjotten, waar de ‘klepels’ hangen he kind! En dan rennen. Dat heb je ongetwijfeld ook geprobeerd. Gedaan. Rennen. Voor je leven. Het zou niet mogen. Het zou niet moeten. Rennen. Voor je leven.
Sinds vorig jaar, kreeg deze ‘geruststellende’ versie in m’n hoofd een enorme knauw.

Een masturbeur langs een van m’n mooie looproutes. M’n muziek luid, snikheet. Short en topje aan. Niets meer. Niets minder. Buiten m’n sportschoenen. Die ik al snel heel erg nodig bleek te hebben. Maar die eerlijk waar, even geen enkele dienst voortbrachten.
Uiteraard had ik eerst niets door. Natuurlijk was dat ingebouwd instinct dat elke vrouw ergens aangeleerd krijgt wel een beetje actief. Maar nogmaals, je probeert je gerust te stellen. Mij overkomt dit niet.
Terwijl. Het zou niemand mogen overkomen. Het instinct zou niet hoeven te bestaan. Het instinct van, vreemd, wat staat die man daar te doen?
Vreemd, allemaal zwarte kleren. Vreemd, die blijft maar omkijken. Vreemd. Veel vreemd. Maar m’n voeten bleven zich voorwaarts bewegen richting de man. Ik zag hem dan nog Julie. Jij waarschijnlijk niet. Je instinct kon al niet werken.
Het mijne werkte, maar ik deed er niets mee. Wat er niet werkte, waren m’n voeten, toen hij zich omdraaide met een bivakmuts aan, en zichzelf stond te bevredigen.
Tuurlijk, lopen ging je toch doen he? Ik was aan het lopen… ik moest het enkel maar blijven doen. En alles stopte abrupt. Kortsluiting in m’n hoofd. In m’n lichaam. Voor enkele seconden.
Daarna werd het rustige loopje, abrupt rennen voor m’n leven. Zelf als ik thuis kwam, keek ik nog achter me. En die mooie looproute, ontwijk ik nu nog steeds zoveel mogelijk. Maar die enkele seconden, zouden genoeg geweest zijn. Genoeg om… Ik mag er niet aan denken… lag het aan mij? Had ik te weinig kleren aan? Dat kwam er in me op. Maar neen Julie, het ligt niet aan ons. We zouden ons nooit mogen afvragen of het aan ons lag. En die situaties zouden zich, groot of klein, ernstig of banaal, niet mogen voordoen. N.O.O.I.T. Maar tussen de ideale wereld, en de realiteit, zit blijkbaar een enorm verschil. Een grote kloof. Een enorme diepe duisternis. Waar jij vorige week abrupt bent ingestort. Ik kan niet verwoorden hoe vreselijk ik het voor je vind. Voor je dierbaren. Vreselijk. Maar het verandert helaas niets aan de uitkomst…

Is die boom nu precies niet wat aan het bewegen? Ziet die er niet dikker en zwarter uit dan anders? Omdraaien, gewoon omdraaien. Rondjes, werden stukjes op en af. Bos, werd openbare weg.
Later op de avond, werd knal overdag. En nog steeds leek alles zo verdacht. M’n instinct op alert. M’n vertrouwen in m’n ‘plan’ een flinke deuk. Neen. Blijkbaar zou ik freezen, in plaats van lopen.
Maar jij vocht als een ware leeuwin. Helaas voor je leven. In elke situatie, vanaf dat hij besloot jouw aan te vallen, begon je strijd voor je leven. Zelfs mocht je het overleven. Want elke dag zou overleven worden. Vechten. Om alles een plaats te geven. Maar ook dat is je ontnomen.

We kunnen met heel wat ideeën opkomen om dit te vermijden. Moet justitie het anders doen? Meer camera’s? Ik dacht nog, moeten we al niet van in het lager onderwijs verdedigingstechnieken in de sportlessen krijgen? Maar de vraag is natuurlijk, zolang die mensen rondlopen, vrij, is er dan iets van techniek of oplossing opgewassen? Gaat dit hen tegenhouden? Ik hoop het oprecht. Maar eerlijk, dat vertrouwen heeft een beetje een deuk. Een beetje veel. Sinds ze jouw lichaam uit dat water hebben gehaald. En toch is net die hoop, hetgeen waarom ik in m’n pen kruip. De onrechtvaardigheid is te groot, om te zwijgen. De uitkomst veel te zwaar, om niets te doen. Als er dan toch iets positief aan dit verhaal mag zijn Julie, laat het dan dat zijn! Dat mensen hun krachten bundelen, samenzitten, luisteren, oplossingen voorstellen en proberen. Weer van de tafel vegen, en nieuwe overwegingen maken en uitvoeren. Tot lieve Julie, het werkt. Tot er iets goed is, wat dan ook, dat jouw vreselijk eind hier kan voorkomen. Tot er iets is, wat jou, ondanks je vreselijke dood, toch onsterfelijk maakt. Al ben je dit nu ook al.

Ik hoop lieve Julie, dat je nu niet meer hoeft te vechten. Dat je Hierboven rust en vreugde mag vinden. Rust en vreugde die je hier zo abrupt ontnomen werden. En ik bid voor je dierbaren, dat ze een manier vinden om je levensvreugde toch te voelen, doorheen hun duisternis. Zodat ook hun overleven weer leven mag worden. Totdat jullie, wanneer hun tijd is gekomen, Hierboven samen mogen zijn. Rustig. Vredig. Geen instinct nodig.

Liefs,
Lindsey
#julievanespen #strongertogether #choosehope #loveoverhate

You are bigger than what is making you anxious

Hallo iedereen

Vorige week werd ik 30 jaar, dus werd het nog eens tijd om aan het schrijven te slaan. Verjaardagen blijven een ware worstelpartij. Of toch zeker de aanloop er naartoe. In die periode vecht ik gigantisch met de invulling van het woord dankbaarheid. Ik ben de laatste die ondankbaar wil overkomen en zijn. Ik wil het leven net omarmen, dankbaar dat ik er nog steeds mag zijn. Iets wat helemaal niet vanzelfsprekend is. Ik omarm het ook, of probeer het toch. Maar diep vanbinnen verlang ik naar een warme, tedere omhelzing zoals met de grootste, zachtste teddybeer ter wereld. En in realiteit heb ik vaak het gevoel een stengel van een roos te omhelzen. Dun, waardoor je moet opletten dat het je niet ontglipt. Het leven. Waardoor je het wel stevig moet vastnemen. Enerzijds. Want je wilt het niet kwijt. Maar je weet dat je je er tegelijk wel veel pijn mee doet. Daar kan die stengel niet aan doen, die is nu eenmaal zo gemaakt. Er hoort een omarming te zijn, dat is ook m’n keuze. Dat wil ik. Alleen voelt het soms alsof we 2 partijen zijn die niet samen horen. Alsof m’n leven en de invulling ervan, door hoe ik me voel en alle obstakels, niet past bij wie ik diep vanbinnen ben. Ook al weet ik dat ook dit bij m’n levensweg hoort. Ik zou me zo graag met een open hart dankbaar en levendig voelen, maar ik besef dat ik me vooral schuchter, bang, teruggetrokken en overlevend voel. Ik haat dat gevoel. En ik haat dat ik het haat.

Ondertussen zit ik al lang genoeg zonder medicatie, dat ik besef dat het stilaan een illusie is, dat ik me zonder medicatie beter ga voelen. Die ontnuchtering is keihard. Iets waar je jaren naar uitkijkt, blijkt niet te bestaan. De deadline die je in je hoofd ontelbare keren vooruit schoof, enkel en alleen om te kunnen blijven ademen, blijkt een doorlopende lijn te zijn, zonder einde. Soms is het moeilijk om dan te blijven ademen bij dit besef. Gelukkig is het nog niet te lang om de hoop te verliezen dat er wel nog oplossingen zullen gevonden worden. En ook hier worstel ik met dankbaarheid. Ik weet hoe hard ik heb gebeden, gehoopt, gezwoegd om ooit te kunnen stoppen met de behandeling. Ik weiger dan ook om dit sprankeltje dankbaarheid niet levendig te houden. Maar het is wel een klein sprankeltje geworden. Al huiver ik in elk celletje van m’n zijn, bij de gedachte dat ik eigenlijk elk moment, eender wanneer, te horen kan krijgen dat ik terug moet herbeginnen. Als m’n kankerwaarden bij de controles soms schommelen, weet ik met mezelf geen blijf. Maar eigenlijk is dit ook zo als het wel stabiel is. Ik heb het gevoel mezelf continu in bedwang te moeten houden. Sterk te moeten houden. Voor te bereiden, op wat eventueel komen kan. En tegelijk staande te houden, in wat continu bezig is. Ik besef ook enorm dat die soorten medicatie steeds meer en meer vernietigend zijn geweest voor m’n lichaam, met op kop voor m’n zenuwstelsel. Sterker in het inperken van de kanker, maar ook sterker in het aanvallen van bepaalde gezonde systemen in m’n lichaam. Tegelijk weet ik dat ik met de eerste soort medicatie nooit op het punt zou zijn gekomen om überhaupt te kunnen stoppen met de medicatie. Me telkens opnieuw in de vuurlinie smijten, heeft dus gelukkig wel iets opgeleverd. Alleen voelt het nog steeds alsof ik in de vuurlinie sta. En in gedachten had ik toch gehoopt al heel lang, samen met m’n dierbaren, iets verder van de vuurlinie te kunnen staan. Wetende en beseffende dat je met de diagnose kanker altijd wel ergens de vuurlinie blijft zien, voelen, of ruiken en het elk vezeltje van je lichaam in een vingerknip in alle staten kan doen veranderen. Maar toch, iets verder verwijderd, zou al iets zijn. Op sommige dagen, zelfs veel.

Ik heb eigenlijk helemaal geen probleem om 30 jaar te worden. Ik heb het wel moeilijk met het gevoel dat er sinds m’n 22e een gat uit m’n leven is genomen, en deze hap steeds groter aan het worden is. 8 jaar is zo lang, en tegelijk is het een grote waas. De dagen gaan soms tergend traag, maar de jaren op zich vliegen voorbij. Vliegen voorbij, maar zo anders dan ik ze ooit had voorgesteld. Ik had gedacht zelf door het leven te mogen vliegen. Vrij, gelukkig, licht. Nu vlieg ik naar m’n gevoel eerder als brokstuk midden in een orkaan. Niet wetende wat onder of boven is. Niet wetende waar de draaikolk stopt. Als die al stopt. Ik besef dat velen dit gevoel hebben waarschijnlijk. Het gevoel dat de jaren anders verlopen dan gepland of verwacht. Beseffend dat verwachtingen en planningen wel een houvast lijken te zijn, maar eigenlijk weinig houvast of zekerheid bieden. Maar dat ik bovenop dat gevoel, er ook altijd die vermoeidheid en een gecrasht centraal zenuwstelsel moet bijnemen, maakt het iets moeilijker om flexibel te zijn en de ‘plannen’ aan te passen. Het voelt zo vaak alsof ik in een zinkgat zit, waarbij ik de randen steeds verder van me zie verwijderen. Niet meer wetende hoe het was om tiener te zijn. Beseffende dat je de jaren als twintiger zo bezig was met zwoegen en je sterk houden dat je ook daar geen ankerpunten hebt in wie je bent, en ondertussen aan de volgende cirkel begonnen zijn van dertiger. Dankbaar om die cirkels te mogen meemaken. Maar soms ook enorm foeterend over de manier waarop. Je zou willen ankers uit kunnen gooien, om je naar de rand terug te trekken. Maar je beseft dat die randen nooit meer bereikbaar zijn. Deze jaren zijn gepasseerd. Ze waren wat ze waren. Uit het zicht, altijd in het hart.

Maar gaten hebben ook bodems, en die bodems kunnen ook naar boven komen. Klaar om een nieuwe houvast te bieden. Nieuwe bodems kunnen drijven, naar grotere stukken land. En die kunnen op hun buurt aan het land verankerd geraken over de jaren heen. En die weg zal ik ook afleggen. Die weg leg ik ook af. Alleen, zo anders dan verwacht, gedacht, gehoopt.

Ik zou zo graag af en toe een wild card mogen inzetten. Een dag waarop ik kan verspringen. Soms naar die ver verwijderde randen, als tiener, als beginnende twintiger. Soms naar de bodem en de opstijgende grond. Soms naar het vaste land en die houvast. Naar waar dan ook. Zolang het maar niet in het zinkgat is. Het gat waar het worstelen en watertrappelen zoveel energie vraagt. Het gat, dat heel wat dagen zo ellendig lang kunnen maken, en tegelijk de jaren doen vervliegen.

M’n lopen blijft een grote houvast hierin, omdat ik weet, hoop en diep vanbinnen voel, dat deze cirkel nog niet rond is, en ook nog niet volledig verwoest is. Het is al lang dezelfde cirkel niet meer, dat kan ook niet. Maar er blijft wel nog iets van over. En dat is m’n drijfveer om m’n kracht en sterkte te blijven uit de kleinste hoekjes in m’n lichaam zoeken. Ook al stribbelt m’n zenuwstelsel tegen. Ook al stribbelt vaak alles tegen. En daarmee is niet alleen pijn gepaard. Maar ook de constante tergende vermoeidheid, de plots opkomende extreme vermoeidheid, de draaierigheid, de concentratiestoornissen, de overprikkeling door geluid, drukte, licht,… Maar ook de pijn, in eender welk lichaamsdeel. De migraineaanvallen. Het is soms te absurd om op te sommen op welke domeinen het allemaal een enorme impact heeft. Maar mede dankzij m’n lopen, vind ik de kracht om ook tegen te stribbelen aan m’n zenuwstelsel en aan al die obstakels. Dankzij m’n lopen, kan ik die lasten meestal blijven dragen. Het heeft me de moed om uit m’n bed te kruipen. Het geeft me een doel. Een houvast. Een reden om te durven aan de toekomst denken. Ook al is op die manier lopen een vreselijk harde weg om te doen, ik kan me geen andere en betere weg voorstellen in de gegeven situatie. Ik weet en heb geprobeerd hoe m’n lichaam en geest reageren als ook deze cirkel doorbroken wordt, en dat is nog zwaarder en ingrijpender, dan het nu al is. Deze cirkel afleggen, is dus de enige weg die ik nu kan gaan. Al heb ik schrik tot wanneer ook deze cirkel van het lopen rond zal zijn. Want op een bepaald moment zal deze ‘af’ zijn, of door obstakels ingekort zijn of omgeleid worden.

Verliezen, op heel wat domeinen, werd bijna 8 jaar geleden een constante in m’n leven. Afscheid nemen van zoveel. Fysiek en emotioneel. Je wilt daar niemand mee lastig vallen. Je wilt niemand tot last zijn. En ik besef dat ik vanaf de eerste seconden sinds m’n diagnose, continu probeer om zoveel mogelijk sterk te zijn. Niet tot last te zijn. Te zijn hoe ik wil zijn in iemands leven. Geen obstakel. Maar net een steun. Blijven ademen. Sterk zijn. De lasten zoveel mogelijk zelf dragen. En ongetwijfeld, zal dit me vaak niet gelukt zijn, en nog steeds niet lukken. Hoe hard ik ook probeer. Hoe hard ik ook wil. Verliezen en afscheid nemen, is bikkelhard. Voor iedereen. In welke mate dan ook. Maar gelukkig moet ik niet van alles en iedereen afscheid nemen. Ik moet geen moeite doen om dankbaarheid te voelen, als ik denk aan m’n echte houvast. Namelijk die dierbaren die nu nog steeds naast me staan.  Als ik aan hen denk, stroomt m’n hart vol met dankbaarheid en liefde. Oneindig veel. Oneindig lang. Waardoor ik blijf weten hoe dit voelt. Waardoor ik blijf beseffen dat het bestaat. Onvoorwaardelijk. Iets heel zeldzaam.  Deze cirkel van m’n echte dierbaren is oneindig lang, stevig en egaal. In dit leven, en hier na. Die houvast, zal ervoor zorgen dat ik ook altijd een nieuwe, andere houvast zal vinden. Hoe vindingrijk ik ook soms moet zijn. En ondertussen hoop ik dat de bodem blijft stijgen in dat zinkgat. Tot ik weer voet aan land kan zetten. Een land met warme mensen. Die elkaar helpen, niet om er zelf beter uit te komen, maar om er voor de ander te zijn. Niet schijnheilig, of met een verborgen agenda, maar oprecht. Een land met veel liefde en steun. Een land, waarvan ik weet dat het bestaat! Het is alleen soms ver en moeilijk zoeken. Maar ik weet ook, dat ver en moeilijk, mogelijk is. En uiteindelijk, de moeite waard!

Ik hoop dat jullie allen ook voet aan land mogen zetten en land mogen blijven vinden!

Liefs,

Lindsey

Healing doesn’t mean the damage doesn’t exist. It means you are trying that it no longer controls your life!

Alweer even geleden dat ik hier nog iets neerschreef! Teksten komen vaak in me op, maar de woorden stokken, wanneer ze onderweg zijn om langs m’n vingertoppen neer getypt te worden. Stokken, in de vingers, maar vooral in de keel wanneer ze m’n hoofd doorkruisen.

Je denkt soms, althans, je hoopt soms, dat je op een bepaald moment het ‘ergste’ wel achter de rug hebt. Dat er een moment komt waarop je niet dieper kunt zitten. Waarop het omhoog klauteren wel uitputtend is, maar niet afgewisseld wordt met terug naar beneden tuimelen. Dat je hoogstens even aan een klif moet uitblazen, om daarna weer omhoog te gaan. Uitputtend. Zwaar. Maar hoopgevend. Tot op het punt dat je denkt een stevige rots gevonden te hebben, waar je even langer kunt uitrusten op weg naar boven. Want de tocht is nog lang. En hard. Een puntige, harde rots, maar je zoekt en zoekt tot je een plekje gevonden hebt waar je je in kan vinden om rust te zoeken. En hopelijk echt te vinden.

Tot net die grote rots begint te wankelen en vallen, en je niet alleen meesleurt, maar ook wilt verpletteren. Verpletterd, door die grote rots, en de kleine rotsen die het met zich meesleurt. Wat je dacht je houvast te zijn, wordt op die moment in enkele seconden tijd net hetgeen waarvoor je moet vluchten met alles wat je hebt, om jezelf veilig te stellen. En die tocht is opnieuw lang, en neerwaarts. Waarbij je soms denkt, wat heeft het voor zin? Kan ik me niet beter laten verpletteren? Is het daarna niet allemaal voorbij? Je vlucht steeds dieper, tot op plaatsen en donkere ruimtes waarbij je ze niet voor mogelijk achtte. Je komt plaatsen tegen waar je 7,5 jaar lang bent proberen uit te klauteren. Je ziet ze anders, maar ze blijven even angstig. Angstiger zelf. En je komt dieper dan ooit tevoren. Zo diep, dat zonlicht niet meer zichtbaar is. En zo benauwd, omdat de rotsen je overal dreigen te omklemmen. Je beseft, het ‘ergste’ is niet voorbij, als het al ooit voorbij zal zijn. En voor het eerst, hoe enorm je ook een hekel hebt aan al dat hokjes denken, wil je tot een hokje behoren. Al is het maar om ergens bij te horen. Om je door iets of iemand begrepen te voelen. Gesteund te voelen. En je niet meer zo verdomd eenzaam te voelen. Daar diep, beneden, omsloten, gevangen, bedreigd.

Niet jong genoeg, niet oud genoeg. Niet ziek genoeg, niet gezond genoeg. Geen behandeling genoeg, maar toch teveel en te zwaar. Te fit, niet fit genoeg. Snel lopen, niet snel genoeg. Sterk, niet sterk genoeg. Niet alleen, maar toch te veel alleen. Alles een beetje, maar niet genoeg. En de maatschappij beoordeelt op ‘genoeg’. Op het hokje. En hokjes zijn vreselijk. Bekrompen. Kortzichtig. Maar wel ‘veilig’. Minder eenzaam. Soms toch.

Wanneer je in het hokje gezond zit, besef je het vaak niet. En wanneer je in het vakje ongezond zit omdat je kanker krijgt, wil je er zo snel mogelijk terug uit. Niet beseffende wat de grijze zone ertussen is. En hoe groot die is. En hoe lang die is.

Wanneer je in behandeling bent, kan je enkel maar denken om te mogen stoppen met de behandeling. Niet wetende hoe het erna voelt en is. Niet wetende hoe de onzekerheid er in hakt. Niet wetende hoe de kortzichtigheid van de maatschappij erop weegt. Niet wetende wat je moet doen met de pijn en vermoeidheid wanneer je niet meer het vooruitzicht hebt om te stoppen met de behandeling, omdat je er al mee bent gestopt, maar geen oplossingen vindt om je beter te voelen. Eindelijk. Even. Al is het maar voor heel even.

Als student, droom je van het werkleven. Als topsport-student, van het topsporter zijn. Niet wetende dat er ook mensen zijn die niet in het werkleven kunnen stappen, hoe graag ze ook willen. Niet wetende dat er daar geen vangnet voor bestaat. Want immers, voor wat, hoort wat. Je moet eerst bijdragen aan de maatschappij, remember. En dit kan uiteraard enkel door te werken in de cliché-zin van het woord. Om maar een van de oooooh zo vele voorbeelden te geven die op je pad kunnen komen.

Als je leven voor de eerste keer instort, weet je niet wat je te wachten staat. Je weet niet dat de lawine keien en rotsen op je af blijft vuren als een vulkaan op z’n hoogtepunt van de uitbarsting. Je weet niet dat de aswolk zo heftig wordt dat je met momenten het licht niet meer ziet. Je weet niet dat je dreigt te verdrinken en verbranden in de lava. Gelukkig maar. En je weet ook niet, dat je leven meerdere keren kan instorten. Nog dieper, nog heftiger dan voorheen. Waarbij de eerste vulkaanuitbarsting plots maar een waarschuwingsteken blijkt te zijn. De tweede is zoveel heftiger, zoveel krachtiger. En zonlicht, zie je al lang niet meer.

Het leven is een lange zoektocht. Zoeken naar evenwicht. Naar vasthouden en loslaten. Naar inspannen en ontspannen. Naar vechten, en berusten. Zoeken. Om niet alleen op weg te moeten. Zoeken. Naar anderen. Maar vooral naar jezelf. Een zoektocht waarbij je jezelf meer verliest, dan ook echt vindt. Beangstigend. Eenzaam. Hard.

Met het nieuwe jaar dat eraan komt, is een terugblik vaak een spontane gebeurtenis. En een voorzichtige vooruitblik misschien ook. Heel voorzichtig dan toch. 2011 was het jaar van mooie hoogtes met onder andere m’n Belgisch Record en 6e plaats op het EK, maar vooral extreme laagtes waarbij m’n diagnose van kanker de kroon spant. 2012 staat voor een fysieke pijn die ik nooit voor mogelijk achtte met een complete neurotoxische reactie waarvan ik nog steeds hevige naweeën heb. 2013 voor alweer een nieuwe behandelmethode en andere dosissen. Idem voor 2014 en 2015. Telkens met enorme nevenwerkingen, maar ondertussen toch ook afstuderen als master kiné. In 2016 ontdekten ze knobbels op m’n schildklier, die nu nog goedaardig zijn, maar kwaadaardig kunnen worden en blijven groeien. In 2017 moesten m’n amandelen er bijna aan geloven door een extreme bacteriële infectie, waardoor ik nu nog steeds quasi dagelijks keelpijn heb. In 2017 kwamen er terug frequent migraine aanvallen bij. En vanaf half 2017 tot en met 2018 heb ik meer geweend, dan geslapen. Me meer opgesloten, dan buitenlucht gezien. En mentaal meer moeten vechten dan ik ooit voor mogelijk hield. Obstakel, na obstakel. Maar gelukkig ook nog steeds die onverwoestbare rotsen in de branding die me omringen. Rotsen, weinig, en steeds minder. Maar zo puur en echt. Rotsen die nooit zullen rollen. Die nooit een lawine zullen creëren, tenzij om de weg voor mij te effenen. Maar nooit met als doel me te verpletteren.

Het waren harde jaren. En ik heb niet meer de hoop dat dit niet meer zal gebeuren. Dat het niet erger kan. Maar ik blijf wel de hoop hebben, dat ik er telkens wel weer door kom. Omdat ik weet, uit ervaring, dat wij mensen, zoveel sterker zijn dan we denken. Omdat ik weet, uit ervaring, dat wij mensen, er nooit alleen voor staan. Hoe eenzaam en donker het ook is! En dat alles een doel heeft. Uiteindelijk.

Het is niet erg om het niet meer te zien zitten. Het is niet erg om fouten te maken. Het is niet erg te beseffen dat je niet perfect bent. Het is niet erg dat niet iedereen je leuk vindt. Het is niet erg om los te moeten laten. Het is niet erg om je verscheurd te voelen door pijn, fysiek en mentaal. Het is menselijk. En je overleeft het. Echt wel. Ook al duurt het soms veel te lang. Ook al doet het soms veel te veel pijn. Je overleeft het. Ooit. En hopelijk wordt het daarna weer leven! Dus wat 2019 ook brengt, voor iedereen, ik wens dat jullie altijd de hoop mogen voelen dat wat er ook op jullie pad komt, jullie erdoorheen komen. Dat jullie er niet alleen voor hoeven te staan. Dat jullie de kracht in jullie zelf mogen voelen! En als het even kan, dat de maatschappij wat menselijker en zachter mag worden. Voor iedereen.

Liefs,

Lindsey

 

 

Winnaars hebben (g)een plan

Winnaars hebben (g)een plan

Winnaars hebben een plan. Een zin die steeds meer mensen in de mond nemen. Een zin, waarvan ik elk woord al kotsend m’n mond laat verlaten.

Waarom moet onze wereld onderverdeeld worden in winnaars en verliezers? Wat maakt iemand die ergens ‘wint’, beter dan iemand anders? En waarom zouden enkel die mensen een plan hebben, waarbij de rest gedegradeerd wordt tot planloze, en bijgevolg in de ondertoon, hersenloze wezens. Maak een plan, en je zult winnen. Toch? Zo simpel?

Herinneren die mensen zich ook hoe vaak ze een plan hebben moeten herschrijven? Hoe vaak hun plan, letterlijk en figuurlijk in het water viel? Herinneren ze zich de momenten dat ze het er allemaal wilden smijten, en ook gesmeten hebben? En herinneren ze zich ook, de porties geluk die er vaak mee gemoeid waren, waardoor ze toch weer op de been geraakten?

Maakt het plan mensen tot winnaars? En wat is de definitie van een winnaar?

(c)Inge Kinnet

Is niet iedereen een winnaar? Op zijn/haar manier? Een moeder van 3 kinderen, dag en nacht in de weer. Een havenarbeider, door weer en wind. Een oma die kleren naait en herstelt voor gans de familie. Een leerkracht die 200 leerlingen moet temmen. Een zieke persoon, die probeert een genezing of oplossing te vinden. En inderdaad, ook topsporters die soms de eer hebben, van hun passie hun beroep te kunnen maken. Iedereen op zijn/haar niveau, succesvol en sterk in wat ze doen. Iedereen een winnaar. Maar veel liever, iedereen menselijk. Warm. Echt.

Heeft niet iedereen op zijn of haar manier een plan? Ook al is het plan, om elke dag, keer op keer, zien te overleven? Zich afvragend hoe ze deze dag terug zullen doorstaan. Fysiek. Emotioneel. Financieel. Zij komen niet in de pers. Zij komen niet op het hoogste schavotje te staan. Maar maakt hen dit minder een winnaar? Maakt hen dit een minder mooi persoon? Maakt dat hun verhaal minder belangrijk? Neen, integendeel.

Als je dag in dag uit, alles wat je hebt, op welk vlak ook, investeert om een volgende dag te bereiken, weliswaar in de schaduw van alles en iedereen, ben je dan een verliezer? Omdat het misschien niet altijd lukt? Omdat het doel moet bijgeschaafd worden? Omdat er geen tikkeltje geluk mee gebonden is? Omdat er geen vangnet is, om in te vallen?

Want vallen, doet iedereen. ‘Winnaars’ en ‘verliezers’. En wat bepaalt hoe vlot je terug kunt opstaan? Als je überhaupt al kan opstaan? Het plan? Opgemaakt door wie? Gefundeerd door wie? Of wat?

Om doelen te bereiken, van welke grootte ook, moet iedereen zich inzetten. Maar is een bepaalde bevolkingsgroep daar beter in dan anderen? Is het geen tijd om al die hokjes en kastjes uit elkaar te timmeren? In plaats van deze nagels nog harder vast te slaan?

Want deze nagels, doen pijn. Mensen op de ‘rand’ van zo’n hokje, blijven er aan hangen. Het laat letterlijk en figuurlijk wonden na. Hun inspanningen gaan verloren in de schaduw van grote uitspraken. Uitspraken, waarmee je alles verkocht krijgt. Woorden, die veel camoufleren. Maar kunnen we niet allemaal van elkaar leren? Zowel uit negatieve als positieve ervaringen? Hebben we niet allemaal een boodschap te vertellen? Elk op onze manier? Kunnen we niet allemaal voor een reden, naar elkaar opkijken? Hoe (on)bekend je in de maatschappij ook bent?

Is het niet al pijnlijk genoeg, als een plan niet blijkt te slagen, dat je daarbovenop nog eens tot de ‘verliezers’ wordt gedegradeerd? Doet dit iets af, aan het feit dat je dag in dag uit alles hebt gegeven? Ben je hierdoor plots minder waard? Of goed? Of sterk? Niet als je het mij vraagt.

Winnaars hebben geen plan. Neen. Mensen hebben een leven. Dat wel. En iedereen probeert op zijn of haar manier daar het beste van te maken. Met de kansen die ze krijgen, maar waar ieder op zich vooral hard voor moet knokken. Een leven, zonder kastjes, hokjes en klasseringen. Waarin iedereen doet wat hij/zij kan. Waarbij iedereen er het beste probeert van te maken. En bij sommigen gaat dit gepaard met veel aandacht, geld, roem. Bij anderen met worstelen en eenzaamheid. En bij heel velen, daar ergens tussenin.

Maar ieder van hen is geen winnaar of verliezer… Wel, een mens. Van vlees en bloed. Met elk op hun manier een plan. Maar vooral een leven.

Liefs,

Lindsey